Tobservice

Als ik een broodjeszaak in Wijnegem inloop zijn er drie jonge vrouwen bezig. Eentje rommelt aan de computer, eentje ruimt wat op en de ander staat vlak voor me achter de toonbank. Met haar rug naar me toe schrijft ze wat op een lijst. Ze heeft me zeker binnen horen komen maar kijkt me niet aan. Ze praten in een plaatselijk dialect. Het gaat snel en is voor mij redelijk slecht te volgen. Niet erg want ze hebben het in ieder geval niet tegen mij. Netjes als ik ben wacht ik, als enige klant in de zaak, op mijn beurt. Er is niemand die me aankijkt of zelfs maar opmerkt, terwijl ik toch een redelijk stuk boven de toonbank uitsteek. Mijn ‘boilingpoint’ ligt behoorlijk hoog. Ik kan veel hebben tot ik het gevoel heb dat ze het er om doen. Mij negeren. Net voor ik het helemaal beu ben laat ik zonder stem verheffen weten dat ik gearriveerd ben. Ze draait om met een chagrijnig gezicht. Mooie vrouwen kunnen zo ontzettend lelijk zijn. Zonder me aan te kijken vraagt ze wat ik wil. Ik heb in de tussentijd de toonbank ‘doorgelicht’ en gezien dat er geen rosbief ligt. Ik neem dat nooit maar het ligt er niet. ‘Een broodje rosbief alstublieft’. ‘ Rosbief, dat hebben we niet’, snauwt ze bijna. ‘Dat dacht ik al’, zeg ik op mijn bijna vriendelijkst, loop zonder omkijken de deur uit en weet dat dit het beste broodje van vandaag zal zijn…